Geschiedenis

Het Sint-Oelbertgymnasium komt voort uit het kleinseminarie van de paters Kapucijnen. De school is niet altijd in Oosterhout gevestigd geweest. In 1887 kozen de paters Langeweg als plaats waar ze hun priesterstudenten wilden gaan opleiden. Tijdens de laatste dagen van de Tweede Wereldoorlog ging dat gebouw verloren. Na rijp beraad besloot men de nieuwbouw in Oosterhout te situeren. Het schooljaar 1954/55 was het eerste Oosterhoutse cursusjaar. Het klein-seminarie telde in dat jaar ongeveer 150 studenten. Het kreeg op 1 september 1955 bij Koninklijk Besluit het 'ius promovendi' en werd daarmee een erkend gymnasium. Vanaf 1959 werden externen toegelaten. Bij die gelegenheid werd de naam van de school veranderd in ‘Sint-Oelbertgymnasium/seminarie Paters Kapucijnen’.
De naam Sint-Oelbert houdt de herinnering levend aan een plaatselijke heilige, die het tot dan toe in zijn eigen geboortestreek nauwelijks tot enige bekendheid, laat staan verering, had kunnen brengen. Spoedig na de openstelling van het gymnasium voor externen werden de eerste niet-katholieke leerlingen toegelaten en in 1966 de eerste meisjes. In 1967 werd het klein-seminarie gesloten.

Vanaf dat moment groeide de school uit tot een middel-groot gymnasium met een duidelijke streekfunctie. 
Op 5 mei 1972 werd de Stichting Seminarie Paters Kapucijnen omgezet in de Onderwijsstichting Sint-Oelbert. 
De school werd daarmee onafhankelijk van de orde. Er waren nog wel paters als docent aan de school verbonden. De laatste pater ging in 1986 met pensioen.
Het Sint-Oelbertgymnasium telt thans ongeveer 730 leerlingen, bijna evenveel jongens als meisjes. Ongeveer de helft van de leerlingen komt uit Oosterhout.
Sint-Oelbert
Molanus, in de zestiende eeuw hoogleraar aan de universiteit van Leuven, schrijft in zijn boek ’Indiculus Sanctorum Belgii’ het volgende:

"De heilige Oelbert was een boer in Oosterhout, een dichtbevolkt dorp bij Breda, in het bisdom Antwerpen. De inwoners van de plaats hebben het volgende over hem vernomen van hun voorouders. Toen enkele rovers op heterdaad waren betrapt, vluchtten zij over een akker, waar Oelbert, vermoeid van het ploegen, in slaap gevallen was, en bij de slapende man legden zij hun zwaard neer, nog vol bloedsporen. Hun achtervolgers stuitten op Oelbert en doodden hem, omdat ze dachten dat hij één van de rovers was. Maar het onthoofde lichaam droeg op hoogst wonderbaarlijke wijze het afgehakte hoofd naar een kapelletje, niet ver daar vandaan. En – zo vertelt men - uit eigen beweging voerden de trekdieren die hij voor de ploeg gebruikt had, zonder voerman, het materiaal aan voor de bouw van een nieuwe, grotere kerk."