Filosofie

Onze tijd vraagt, zoals iedere tijd, om kritische mensen die analytisch, gestructureerd en creatief kunnen denken over belangrijke vraagstukken. Om mensen bovendien die in staat zijn dit denken helder te verwoorden en het in een uitwisseling met anderen te beproeven op consistentie, redelijkheid en vindingrijkheid. Bij filosofie leren de leerlingen hun eigen denken, inzet en motivatie te verbinden met de filosofische traditie. Alle leerlingen van de vierde klas krijgen een half jaar lang één uur per week filosofie. Vervolgens kunnen leerlingen het vak in de vijfde en zesde klas kiezen als keuzevak en erin examen doen.

In de vierde klas krijgen de leerlingen een inleiding in de filosofie van emoties. We lezen daarbij de bundel ‘Denkbewegingen’ van Mariëtte Willemsen. In dit boek komen vragen aan bod als: Hoe belangrijk zijn emoties? Zijn ze aangeboren of aangeleerd? Hoe kunnen we emoties inzetten om iets van iemand gedaan te krijgen (retorica)? Zijn emoties altijd oprecht of kun je ze veinzen? Aan de hand van tekstfragmenten uit het werk van grote filosofen als Plato, Spinoza, Descartes, Nietzsche en Nussbaum concentreren we ons ten slotte op vijf emoties: hoop, angst, medelijden, trots en woede. Leerlingen houden een virtueel interview met een beroemde filosoof en werken in groepjes aan een tijdschrift waarin één emotie centraal staat.

In de vijfde klas lezen wij het handboek ‘Het oog in de storm’ van Ellen Geerlings. Gedurende het jaar behandelen we drie deelgebieden van de filosofie. In het eerste trimester de ethiek. (Wanneer kun je een handeling goed noemen? Wat is goed? Hebben mensen een vrije wil of worden ze bepaald door zaken waarover ze geen macht hebben?) In het tweede trimester de filosofische antropologie. (Wat maakt mensen tot mensen? Waarin onderscheiden ze zich van dieren? Wat is de relatie tussen lichaam en geest?) In het derde trimester concentreren we ons op de sociale en politieke filosofie. (Wat is rechtvaardig? Waarom zou je je onderwerpen aan wetten? Wat is macht? Wanneer is macht legitiem?) Leerlingen maken in de vijfde klas kennis met de methode van het socratisch gesprek en worden met filmopdrachten uitgedaagd om de stof uit het handboek toe te passen op de werkelijkheid van vandaag.

In de zesde klas komt het vierde deelgebied van de filosofie aan de orde: de kenleer en wetenschapsfilosofie. (Wat is echte kennis? Wanneer kun je zeggen dat je iets weet? Wat is waarheid? Wat is wetenschap? Wanneer is kennis wetenschappelijk?) Ook ontwerpen leerlingen in de zesde klas een tijdschrift dat geïnspireerd moet zijn op zelfgekozen filosofisch werk. In december beginnen we met de voorbereidingen op het centraal eindexamen dat dit jaar in het teken staat van de vrije wil. We bestuderen het boek ‘Vrije wil – discussies over verantwoordelijkheid, zelfverwerkelijking en bewustzijn’ van Tjeerd van de Laar en Sander Voerman. In dit boek wordt vanuit drie perspectieven over vrije wil nagedacht: 1. De sociale context (nadenken over vrije wil is relevant voor de vraag wat voor rechtssysteem we moeten hebben: wanneer kan een misdrijf aan een dader worden toegerekend?). 2. De individuele context (nadenken over vrije wil heeft betrekking op opvoedkundige vraagstukken: hoe zorgen we ervoor dat kinderen leren hun eigen keuzes te maken?). 3. De wetenschappelijke context (tegenwoordig roepen hersenwetenschappers steeds vaker dat hun onderzoek aantoont dat we geen vrije wil hebben: welk begrip van vrije wil hanteren deze hersenwetenschappers?)